Slag om Arnhem vanuit Duits perspectief

DUITS-NEDERLANDSE GESCHIEDENIS 1940-1945

Onder de schoolbankjes

Memoires van Cornelis Gerardus (Kees) Eulink, geboren 1 april 1933
Aangevuld en herschreven door: Ingrid Maan 2012

Oorlogstijd in Culemborg

Wij jongens, zagen overal militaire oefeningen plaats hebben en dat sprak enorm tot onze verbeelding! Zo speelden we in het voorjaar 1940 na schooltijd altijd soldaatje. We hadden van die kokers waar stoffeerdermateriaal op gezeten had en samen met wat stevige kartonnen dozen maakten we prachtige kanonnen! Op de Vliegerweg lieten we die vervolgens knallen door met volle overgave met een hamer op het kanon te slaan! De Vliegerweg heet zo omdat wij daar als kinderen altijd onze vliegers oplieten. Die vliegers maakten we zelf met bamboe, latjes en papier. We wedijverden met elkaar wie de mooiste en grootste vlieger had. Thans heet de weg officieel Vliegerweg. Al snel zou daar echter geen enkele vlieger meer opgelaten worden...

Zusje Riek en Kees in 1937. DNG 40-45. Copyright I. Maan

In april 1940 werden in de weiden rondom onze stad en tevens aan de vliegerweg luchtdoelgeschut geplaatst en de militairen die deze kanonnen moesten bedienen, werden bij de burgerij ingekwartierd. Wij kregen Sjeffie uit Tilburg in Huis. Wij vonden het een aardige man. Hij vertelde ons ook dat we de ruiten met plakband moesten beplakken voor het geval er een bom zou vallen. Het beplakken van de ruiten zou er in zo'n geval voor zorgen dat de scherven niet alle kanten op zouden springen waardoor iemand gewond zou kunnen raken. Wij geloofden niet dat het zo ver zou komen. Niemand geloofde dat dit zou gebeuren, maar op 10 mei 1940, ik was toen net herstellende van de bof, werd ik
's morgens heel vroeg wakker van het geluid van vele vliegtuigen in de lucht. Duitsland was Nederland binnen gevallen en we waren nu echt in oorlog!

"We hoorden het janken van bommenwerpers en het fluiten van bommen"

Ik meen dat het de tweede dag van de oorlog was dat er bommenwerpers overvlogen die op landhuis De Bol bommen afwierpen. Bij het landhuis aan de lange Dreef stond luchtdoelgeschut opgesteld. We hoorden het janken van bommenwerpers en het fluiten van bommen. Mijn zus en ik werden door mijn ouders beetgepakt en achter de muur bij de keukendeur geduwd. Dat was voorlopig de meest veilige plek bij ons thuis. Door dit bombardement begrepen we pas echt dat het menens was en dus gevaarlijk! Hoe naïef, of beter nog, hoe onbekend was de Nederlandse bevolking met deze omstandigheden. Ondanks al het oorlogslawaai, het schieten van en naar vliegtuigen, wij werden gewoon zoals altijd klokslag half negen naar school gestuurd. Daar konden we weer rechtsomkeert maken omdat de school gesloten was; wat wisten onze ouders nu van oorlogsgevaar?!
Buurtgenoten stonden tijdens een beschieting doodleuk buiten te kijken alsof het een speelfilm was! Toen er vlakbij een vriendje van mij iets met een plof de grond insloeg, begin diens vader te graven om te zien wat het was ... wie had er ooit van rondvliegende granaatscherven gehoord!

Riek en Kees in het eerste oorlogsjaar 1940. DNG 40-45. Copyright I. Maan

Er fietsten Nederlandse militaire patrouilles door de straten en iedereen werd naar binnen gestuurd. Maar ja, dan zag je niet wat er buiten gebeurde en niet veel later stond iedereen dan ook weer buiten om naar dit spannende schouwspel te kijken.

Meneer Grolleman, onze meester van de vijfde klas, zat bij de luchtbeschermingsdienst en op 14 mei 1940 kwam hij met een witte band om zijn arm aan het eind van de middag bij ons in de straat. Hij ging midden op de straat staan en waarschuwde de bewoners dat er een mogelijkheid anwezig was dat iedereen moest vluchten. Ook de stadsomroeper Manus van Empel verscheen en riep de mensen toe:



"Iedereen mot

zijn eige klaarmoaken

en naar Beusichem gaan"


De evacuatie naar Beusichem was nog niet zo eenvoudig. Opa de Braaf had een heupziekte en liep zeer moeizaam met een beugel en stok. Hij kon onmogelijk die afstand lopen. Oom Piet wist een handkar te regelen en met opa, mijn zusje Riek en ik en wat handbagage op de kar vluchtten mijn ouders samen met onze buren helemaal binnendoor over de Smalriemseweg die parallel aan de Lekdijk loopt, richting Beusichem.

Evacuatie van Culemborg in 1940. DNG 40-45. Copyright I. Maan

Ter hoogte van de Weidsteeg werd er gezegd dat we niet verder hoefden te gaan. Vluchten had geen zin meer want Nederland had gecapituleerd. We moesten echter wel doorlopen, want achter ons liepen nog honderden mensen, dus omkeren was onmogelijk. En het werd nog erger, want terwijl de burgers allemaal richting Beusichem liepen, kwamen de Duitsers ons over de dijk al tegemoet! Het werd een hele toestand om langs elkaar heen te dringen en ook de Duitsers wisten niet hoe ze de hele rij vluchtende mensen moesten laten omkeren.
Het was een complete chaos!
Aan de overkant van de Lek stond Duits artillerie opgesteld waarmee ze op dat moment ook nog eens Fort Honsdijk begonnen te beschieten. De granaten vlogen over Culemborg heen en de lucht was vuurrood. Je hoorde voortdurend een snerpend geluid, gevolgd door een enorme knal. Later hoorden we dat op de Vismarkt een echtpaar door dit vuur om het leven is gekomen.
In Beusichem werden we voor die nacht ondergebracht in een oude molenschuur aan de Benedenmolenweg, samen met wat buurtgenoten uit de Goudsbloemstraat. Door de ontstane spanning werd er die nacht weinig geslapen. De volgende morgen kregen we allemaal brood en een hard gekookt eitje, geschonken door de eigenaar van de schuur. De terugtocht volgde nu langs de Lange Dreef. Daar zagen we verschillende woningen die ten gevolge van de beschietingen flink beschadigd waren.

De tijd die toen aanbrak was voor ons jongens heel erg spannend. De Duitse soldaten hadden een gedeelte van het seminarie gevorderd en hielden aan de ingangen wacht. Hun aflossing ging met een bepaalde ceremonie gepaard waar wij graag naar keken. Ook probeerden we wat met die Duitsers te praten en ondanks de taalbarrière lukte dat af en toe.
Een paar weken na de capitulatie was er op de markt een Duitse militaire parade. Heel Culemborg liep uit! Later in dat eerste oorlogsjaar, toen de school weer begonnen was, hoorden we pelotons soldaten zingend langs de school marcheren. Ja, zingen konden die Duitsers wel! Mijn moeder werkte in die tijd als lampenkapmaakster. Dat deed ze thuis, maar ook bij opoe Miet die een winkel voor hoeden en lampen had. Haar eigenlijke naam was Miet de Bol, maar iedereen noemde haar opoe Miet. Ze was de schoonmoeder van mijn vader uit zijn eerste huwelijk. Opoe Miet zorgde na het overlijden van hun dochter voor mijn halfzusje Jo, het enige kind uit dat huwelijk. Na schooltijd gingen we vaak daarheen, want uit school was het maar een paar honderd meter lopen.
De oorlogswinter was zeer streng. We konden eindeloos buiten in de sneeuw ravotten en van de oorlog merkten we niet veel. De oorlog was er en ons leven ging gewoon verder.

Geertuida Eulink, moeder van Kees. DNG 40-45. Copyright I. Maan

Er kwam een Duitse verordening waarin stond dat 's avonds alle vensters verduisterd moesten zijn. Er mocht geen sprankje licht naar buiten komen. De herinneringen uit deze tijd zijn voor mij verbonden met het ziekbed van mijn opa. Het verlies van mijn opa betekende voor mij dat mijn geschiedenisverteller, mijn voorlezer, uit mijn leven was verdwenen. We verhuisden enkelen maanden later naar het huis van opa en oma in de Zonnebloemstraat op nummer 25. Mijn oma ging bij mijn tante en oom wonen. De verhuizing ging moeizaam; we hadden alleen een handkar.
Het was en heerlijk huis. Mijn slaapkamer had en dakkapel met zink afgedekt en als het regende dan hoorde je een gezellig getik en geruis. Dan lag ik onder een warme deken fijn te genieten!

Hoewel het dagelijkse leven in Nederland gewoon doorging, waren er wel allerlei geruchten. Zo hoorden we dat er 's nachts Joden an hun bed gelicht werden. Ze zouden afgevoerd worden naar concentratiekampen. Of ik dit toen al snapte weet ik niet meer, maar ik kan me nog goed herinneren hoe uit onze klas kinderen verdwenen.
Op een dag kregen we het bericht dat voor de oorlogsindustrie al het koperwerk ingeleverd moest worden. Mijn vader had voor mij een stoommachine gebouwd en die was helemaal van koper. We hebben hem onder de vloer verstopt waar hij nooit ontdekt werd. De kerkklokken werden uit de torens gehaald en dat was voor ons jongens een spannende gebeurtenis waar wij naar moesten gaan kijken. Prachtig vonden we dat om in en op die klokken te klauteren!
Er werden ook luchtalarmoefeningen gehouden en dan moest iedereen een schuilplaats zoeken, ongeacht waar je op dat moment was. Er werd tijdens zo'n oefening met luchtdoelgeschut gevuurd. Je zag de lichtspoorgranaten als gloeiende vonken door de lucht vliegen. Dit gebeurde zo regelmatig, dat we gewend raakten aan het proefalarm en er niet eens meer van schrokken. Dat zou echter snel veranderen ...

Schets Kees Eulink. Copyright DNG 40-45 I. MaanOp een mooie voorjaarsdag in 1943 gingen mijn zusje Riek, ons buurmeisje Tiny Sielhorst en ik langs de 'kaai', zo noemden we de kade die parallel aan de Straatweg naar Gelderlmalsen liep, bloemen plukken. We liepen op onze nieuwe klompen en dat liep niet zo lekker. We waren al een flink stuk van de stad verwijderd en liepen onder de bomen die langs de weg stonden, toen plotseling in de verte de sirenes begonnen te loeien: luchtalarm!

Kees Eulink in 1943. Copyright DNG 40-45 I. Maan
Ik zei tegen de meisjes dat de Duitsers ons toch niet zouden zien hier onder die bomen en dat we rustig door konden gaan. Maar toen hoorden we ineens vliegtuigen achter ons! Het waren Amerikaanse dubbelstaarters, Lightnings, die een cirkel boven ons draaiden! In de verte hoorden we ook een trein bij het station plotseling hard remmen. Er werd hevig op de vliegtuigen geschoten. Ineens vlogen ze achter elkaar vlak boven onze hoofden en schoten met hun boordkanonnen op de trein. We schrokken geweldig van dit oorlogsgeweld! De hulzen vielen achter en naast ons door de bomen en we renden op onze nieuwe klompen zo hard als we konden naar de dichtsbijzijnde boerderij waar we naar binnen vlogen! Daar hebben we samen met de angstige bewoners de aanval afgewacht.
Nadat de sirenes het sein veilig hadden gegeven, gingen wij snel naar huis. Onze moeders die erg verontrust waren, kwamen ons al tegemoet en waren opgelucht dat ze ons gezond en wel weer terugzagen.

De avonden in de winter vulden we met het maken van allerlei leuke dingen bij de Knaapen Vereeniging. Die avonden werden door de hervormde kerk georganiseerd. We vonden het erg leuk want we deden allerlei handwerk zoals figuurzagen, glas schilderen, toneel, voordrachten en zulke dingen. Ook thuis vermaakte ik me wel met het uitzagen van ringen uit vliegtuigglas. Die ringen verkocht ik dan weer op school.

Stoommachine van Kees zijn vader. DNG 40-45. Copyright I. Maan

In de loop van 1943 en 1944 werd het erg onrustig. Onze school werd door de Duitsers gevorderd voor de legering van hun soldaten en wij gingen toen naar onze oude kleuterschool in de Goilberdingerstraat.
We hoorden 's nachts honderden vliegtuigen overvliegen richting Duitsland en later gebeurde dat ook overdag. Je zag dan tal van zwarte stipjes met condensstrepen in de lucht. Het Duits luchtdoelgeschut knalde er dan op los en ook Duitse jachtvliegers voerden beangstigende luchtgevechten uit.
Op een nacht werd er weer zo hevig geschoten dat er vlakbij en toestel werd geraakt en neerstortte. Het neerstortende vliegtuig liet zijn bommen in een boomgaard aan de Vliegerweg vallen. Er was bij ons een luik in de zolder naar de vliering en dat stond meestal omhoog, opengehouden door een gewicht aan een touw. Dat gewicht bestond uit een blikken trommel met spijkers erin. Dat kwam nu met een enorme dreun naar beneden toen het luik met een harde klap dichtsloeg, midden in de nacht! Als gevolg van de explosies was het papiertouw gebroken. De schrik zat er meteen goed in want wij dachten dat de schoorsteen naar beneden was komen zetten!


  "En de boer die melkt

zijn koei, koei, koei..."


Schuilen onder de schoolbankjes en dan maar zingen. Schets Kees Eulink. DNG 40-45. Copyright I. MaanHet luchtdoelgeschut en de Culemborgse spoorbrug werden regelmatig door vliegtuigen beschoten en wij kinderen zaten daar, op school in de Goilberdingenstraat, vlakbij! Tijdens een aanval moesten we dan onder ons bankje kruipen. We zongen onszelf dan moed in met liedjes en dat deden we net zo lang tot het sein 'veilig' gegeven werd.

Op 12 september 1944 stond ik in de boekwinkel van Bolding. Ik wilde een boekje kopen over vliegtuigmodellen. Die vliegtuigen maakte ik dan van hout na en speelde daar dan mee. Niemand had echter aandacht voor mij, want het gerucht ging dat de Amerikanen in aantocht waren. De bevrijding zou nu niet lang meer op zich laten wachten en iedereen was door het dolle heen. Naar dat boekje kon ik wel fluiten.


De bevrijding liet nog op zich wachten. Bij Arnhem was het mis gegaan en een lange koude winter stond ons nog te wachten. Iedereen had inmiddels al wel een vluchtkarretje gemaakt. Dat bestond meestal uit een kist met fietswielen.

Kees op de markt van Culemborg met Geurt Kok, links. DNG 40-45. Copyright I. Maan
De Duitsers bij ons in de buurt lieten de weilanden achter ons huis onder water lopen waardoor er van Culemborg tot aan Beusichem een grote waterplas ontstond. Ik was op mijn slaapkamer met een vriendje aan het spelen, we bouwden een reuzentoren met blokken. We waren zo druk bezig, dat toen we naar buiten keken verbaasd waren dat we helemaal geen groen weiland meer zagen, maar een groot meer. Een boer was bezig zijn voederbieten in een bootje te laden. Vanuit ons huis keek je zo het veld in en toen het begon te regenen en weer later ging vriezen, keken we over een enorme ijsvlakte! We hebben heel wat geschaatst, maar door de toenemende luchtaanvallen op de spoorbrug en het terugschietende luchtdoelgeschut, werd het op den duur te gevaarlijk. We lagen hel wat keertjes met de buik plat op het ijs tijdens de aanvallen!

Gedurende die winter waren de scholen door brandstofgebrek gesloten. De onderwijzer kwam op toerbeurt bij een van de leerlingen thuis lesgeven. Daar was nog een beetje warmte te vinden en op die manier raakten we ook niet met de lesstof achterop. Oom Piet hield mijn vorderingen bij en hielp mij als ik iets niet begreep.
De voedselvoorziening liet het bijna geheel afweten. Het brood dat we nog op de bon konden kopen was heel weinig per persoon en was bovendien niet te eten vanwege alle meegebakken rommel, zoals kaf van het koren en vooral muizenkeutels. Maar we hadden nog een beetje geluk, want 30 meter van ons huis vandaan, tegenover de straathoek van de Zonebloemstraat was een door de Duitsers gevorderde bakkerij die heerlijk Duits zuurdesembrood bakte voor de militairen. Als wij met een stel kinderen uit de buurt bij die bakkers appels brachten, dan kregen we een lekkere appelbol. Aan het eind van de middag gingen die bakkers achterin de bakkerij taarten bakken en dan schoven wij aan de voorkant van het magazijn een raam omhoog. De kleinste kroop er dan doorheen naar binnen, griste de broden van de rekken en en gooide die ons door het raam toe! Ook werd daar brood van andere bakkerijen opgeslagen. Die broden werden door een keten van burgermannen van de vrachtwagen naar binnen gebracht. Liet er eentje zo'n brood vallen, dan kropen wij vliegensvlug onder de wagen door en pakten het brood weg. De toeziende soldaten grepen alleen in als het te erg werd. Dan stapte er een met een karwats naar ons toe, haalde uit en sloeg altijd met een klap tegen het hout van de vrachtwagen. Dan wachtten we een poosje voordat we weer een nieuwe poging waagden.

Bij de bakkerij stonden regelmatig wagens met briketten, die door de Duitsers gelost werden. De brokstukken gapten wij kinderen mee en namen die me naar huis voor de kachel. De Duitsers zagen het wel, maar zeiden er nooit wat van, totdat we hen kennelijk in de weg zaten, dan grepen ze in.


De Duitsers zagen het wel,


maar zeiden er nooit wat van


We moesten voor straf op een middag helpen met het lossen van die briketten en die met een kruiwagen naar een kelder onder de bakkerij brengen. We waren met ons tienen en vonden het geen echte straf want we hadden veel lol. Eenmaal klaar met de klus werden we de bakkerij ingestuurd en daar stonden tafels klaar met voor ieder twee sneden brood met dikke plakken kaas, althans, dat dachten wij. Het bleek een dikke laag roomboter te zijn! Boter was in die tijd niet meer te koop en deze 'straf' hadden we dan ook niet verwacht! Na afloop moesten we allemaal thuis een emmer halen en die werd door de Duitsers tot bovenaan gevuld met briketten en daar bovenop de kolenstof.
Later in de winter werd de bakkerijbezetting vervangen door soldaten van de Nederlandse Waffen-SS. Dat waren schoften die de hongerende en bedelende mensen die uit de grote steden kwamen, weg stuurden.
Ze lieten het brood liever beschimmelen ...

Bij ons thuis was er ook bijna niets te eten. Mijn moeder zag zich genoodzaakt om de boer op te gaan en was dan soms de hele dag onderweg. Tegen het eind van de dag kwam ze doodmoe thuis met wat spek of een paar kilo aardappelen. Het was tijdens deze winter dat de kerk aan hongerlijdende jonge kinderen voedsel in de kerk uitdeelde. Dit voedsel werd verzorgd door diverse boeren en mensen die het beter hadden. Ook Riek en ik gingen daar naartoe. Het eten was meestal stamppot of pap waarvan de kwaliteit als gevolg van de schaarste ook steeds minder werd, maar het was buikvuling en dat telde!
Mijn vader had tabaksplanten geteeld en na het drogen sneed hij het tot shag. De Duitsers hoorden dat hij een snijmachine had en kwamen met een flinke zak met kwaliteitstabak aanzetten en vroegen hem of hij dat kon snijden. Dat was natuurlijk een kolfje naar zijn hand en een paar dagen later kregen ze hun gesneden shag terug, maar wel gemengd met een flinke hoeveelheid slechte eigen teelt!

De boer op. Schets Kees Eulink. DNG 40-45. Copyright I. MaanOm het huis een beetje warm te houden, waren we naar de voorkamer verhuisd. Deze was kleiner en gemakkelijker te verwarmen. De Duitsers die bij onze buren ingekwartierd waren, hadden onze kolenhaard geleend die voor ons toch te duur in gebruik was en in ruil daarvoor konden we om de dag een brood bij de Duitsers ophalen. Die afspraak kwamen ze ook netjes na.
Voor de verwarming hadden wij een Salamander potkacheltje. Als de temperatuur dragelijk was en er moest eten gekookt worden, dan hadden we daarvoor een lilliputter. Dat was een soort blikken kacheltje dat op de Salamander geplaatst kon worden en met hele kleine houtjes gestookt werd. Hout was echter schaars. Mijn vader ging 's morgens heel vroeg gezamenlijk met de buurman over het ijs het Beusichemse veld in om stiekem een boom om te zagen. Samen trokken ze die boomstam op een slee naar huis. Bij ons achter werd hij in moten gezaagd en gekloofd zodat we weer stookhout hadden. Het was gevaarlijk werk want zo vroeg in de morgen, het was altijd rond een uur of vier, mocht je nog niet buiten zijn en al helemaal geen boom omhakken! Er is in die periode zelfs een jongeman bij het stelen van een boom doodgeschoten.

Stiekem hout hakken in het Beusichemse veld. Schets Kees Eulink. DNG 40-45. Copyright I. MaanBij iedereen heerste een onderdrukte angst. Dat kon je merken aan het kerkbezoek. Iedere zondag zat de kerk vol en ook mijn moeder ging met een vriendin regelmatig naar de kerk. Zo gebeurde het dat Riek en ik met ons negende en tiende jaar gedoopt werden.
De elektriciteit werd afgesloten en we moesten ons toen op alle mogelijke manieren van licht voorzien. Eerst met kaarsen, toen met vetpotjes en tenslotte met een carbidlamp die mijn vader zelf gemaakt had. Die lamp gaf goed licht en het suizen van de lamp gaf en gezellige sfeer in de kamer. Ook het water was afgesloten, maar er waren pompen geslagen. We probeerden het zo gezellig mogelijk te maken in huis en soms gingen we ook naar de buren. De familie Verkerk, waar de Duitsers uit de bakkerij ingekwartierd zaten, beschikten nog wel over elektrisch licht. De buurman kon goed met ons overweg en deed grondoefeningen met ons kinderen. Hij was een goed gymnast! We deden ook leuke spelletjes en soms droeg hij ook gedichten voor.

Mijn vader kreeg aan het eind van de winter hoge leren schoenen door zijn werkgever verstrekt, dat was de Gispenfabriek in Culemborg. Hij heeft ze bij de boer geruild tegen een mud aardappelen. Dat was in die tijd een kapitaal! Deze gift van de fabriek was mogelijk omdat het bedrijf haar personeel had moeten afstaan aan de Duitse bezetter. De medewerkers, dus ook mijn vader, zouden naar Duitsland moeten gaan om daar in de oorlogsindustrie te gaan werken. De fabriek wist er echter aan te ontkomen door zelf voor die Duitse oorlogsindustrie vliegtuigonderdelen voor de Junker (Ju 88) te gaan produceren. Alleen op die manier konden ze voorkomen dat het personeel de grens over gestuurd zou worden. Dit gaf meteen het privilege om bedrijfskleding en schoenen aan het personeel te mogen verstrekken.
De avond voorafgaand aan die beslissing was de stemming thuis natuurlijk diep onder nul! De koffer was al gepakt en we wisten dat er geen ontkomen aan was. Toen er dan ook aangebeld werd en er een functionaris van de Gispenfabriek voor de deur stond die het besluit kenbaar maakte, was er een algehele opluchting thuis!

Er was een uitgaansverbod. Na zes uur 's avonds mocht niemand meer zonder toestemming van de Duitsers de straat op. Ook moesten in deze strenge winter de mannen bij toerbeurt bij de spoorlijn wacht lopen om eventuele sabotage te kunnen melden. Dit wachtlopen gebeurde per straat. Op het moment dat De Goudsbloemstraat aan de beurt was, werd middenin de nacht de lijn opgeblazen door verzetsstrijders, want er zou een belangrijk munitietransport voorbij komen. De mensen die wacht liepen konden niet anders doen dan van de gebeurtenis melding maken. Ze werden onmiddellijk vastgenomen. Als repressaille moesten een aantal mannen naar Duitsland om te gaan werken en werden er drie boerderijen achter de spoorlijn bij de Melkbrug in brand gestoken. Daarna werd er een bekendmaking op en bord in de stad aangeplakt. Zulke bekendmakingen verschenen toen met regelmaat.

Hoog water. Naoorlogse foto gemaakt door Kees Eulink. Copyright I. MaanDe strenge oorlogswinter ging voorbij en de dooi trad in waardoor het water tot gevaarlijke hoogte steeg. Dit was iets waar de bezetter niet mee gerekend had en die raakte daardoor aardig van streek. Het water van de grote rivieren stond, zeker bij Tiel, tot aan de kruin van de dijk. De Duitsers begrepen wel dat hier algehele en spontane hulp nodig was van de Betuwse bevolking. Nu hadden die Duitsers natuurlijk wel het eigen belang op het oog, want als de dijk zou breken, dan was ook voor hun het leed niet te overzien.
De stadsomroeper Manus van Empel verscheen plotseling middenin de nacht en riep iedereen wakker met zijn boodschap:


'Een ieder mot

zijn haver en goed

op zolder opbargen!'


Dat was voor iedereen een grote schrik! Er kwam een dringende oproep van de Duitsers aan alle mannelijke ingezetenen van de Betuwe om zich met spaden te melden om de dijken te gaan versterken. Er zou niet gekeken worden of er jonge kerels voor de Arbeitseinsatz bijzaten die ondergedoken zaten. Iedereen ging dan ook. Zelfs pastoors en dominees gingen mee. Lopend ging een lange rij Culemborgers naar Tiel en omgeving om aan de Waaldijk te gaan werken. Ze zongen onderweg verboden vaderlandse liederen! De Duitsers liepen eerst naast de lange rij mee, maar al snel werd hen te verstaan gegeven dat ze achterin de rij moesten aansluiten. Het is allemaal goed afgelopen en een paar dagen later konden de mannen weer naar huis toe.

Er was iets waar ik heel bang voor was: de V1! Die werd ergens bij ons in de buurt afgeschoten. Dat gebeurde vooral 's nachts. Vaak weigerde echter de aandrijving en als de bom dan over onze stad vloog met een eentonig pruttelend geluid, dan lag ik altijd gespannen te luisteren! Viel dat geluid plotseling weg, wisten we alemaal dat de bom ergens neer zou vallen. Ik kroop dan diep onder de dekens weg en hoopte maar dat hij niet op ons huis zou vallen!

V1 boven Culemborg. Schets Kees Eulink. DNG 40-45. Copyright I. MaanHet werd lente en de oorlogsgeluiden kwamen steeds dichterbij. De hele dag door hoorde het gerommel van beschietingen. Duitsers lieten in Tiel huizen in de lucht vliegen en de geallieerden beschoten daar ook hoge gebouwen. Als je in het donker vanuit mijn slaapkamer naar het zuiden keek, zag je aan de horizon alle kleuren lichtkogels en lichtspoorgranaten door de lucht vliegen. Eind april 1945 hoorden we dat er voedselvluchten boven Nederland zouden plaatsvinden. Op 29 april hoorden we de vliegtuigen heel laag over Culemborg vliegen en zoals afgesproken werd er geen schot gelost. Het was erg indrukwekkend om al die zware bommenwerpers over te zien vliegen. Overal werden containers met etenswaren gedropt. De mensen waren door het dolle heen en zwaaiden met alles wat maar voor handen kwam. Het voedsel werd verzameld uit de terreinen waar het neer gekomen was. Dat gebeurde onder toezicht van de politie en de Duitsers. In verschillende winkels kon je Zweeds wittebrood, harde biscuits, eierpoeder, chocolade, blikjes porc en vis kopen. Het was een compleet feest!
Mijn eerste stuk chocolade beet ik in kleine stukjes en zoog het heel langzaam op. Het mooiste was wel dat we nu het gevoel hadden dat het met de oorlog wel gauw afgelopen zou zijn. Begin mei ging het gerucht rond dat Hitler dood was.

Op 4 mei 1945 hoorden we na de avondklok plotseling veel leven in de straat. Mensen kwamen zingend hun huis uit. Ze hadden naar Radio Oranje geluisterd: Duitsland had gecapituleerd!
De mensen waren wel bang dat de Duitsers het niet zouden pikken en de volgende dag liep de Ondergrondse dan ook bewapend door de stad. Ze liepen pal langs het gebouw van de Ortskommandantur waar de Duitsers hun wapens ook nog droegen! Dat bleek wel, want een groep fanatieke SS 'ers schoten de oranje wimpels van de vlaggenstokken af; de mensen hadden allemaal de vlag uit gehangen!
Een paar dagen later, op 7 mei, reden de Canadezen onze stad binnen. Pas toen voelden we ons bevrijd.
Wij jonge jongens trokken de stad in om te zien wat er gaande was. We zagen hoe de moffenmeiden opgehaald werden en kaal geschoren werden. Ook werden portretten van Hitler verscheurd, maar dat heb ik zelf niet gezien. Voor ons was het een groot avontuur want we gingen ook naar de Plantage waar de Canadezen hun kampement hadden opgeslagen. Wij probeerden daar sigaretten voor onze vaders los te peuteren en we bedelden om kauwgum; meestal ook met succes! Al spoedig kwam het dagelijks leven weer op gang, maar overal zagen we de sporen van al die oorlogsjaren.


En toen was de oorlog voorbij


We hadden als jongens weer wat nieuws ontdekt langs de Lek. Daar was munitie en ontstekingsmateriaal aangespoeld en dat was voor ons weer een prachtig speelmateriaal! We namen ontstekingspijpjes en verbonden die met een vuurkoord. Door dat pijpje in de grond te graven en het koord aan te steken, hadden we een prachtige ontploffing waarbij de aarde wel een meter omhoog spoot! Later zou er nog een schoolkameraadje bij om het leven zijn gekomen.
De school was weer begonnen en zo kwam op een gegeven moment de regelmaat in ons leven weer terug. Ik was 12 jaar en wilde al heel lang bij de padvinderij, maar dat was tijdens de oorlog een verboden organisatie. Nu kon het weer.
Ik werd lid van de nieuw opgerichte groep Prins Bernhard. Het was een kleine groep en we hadden nog geen eigen troephuis. We mochten daarvoor de stadsschool gebruiken, die bekend stond als 'school I'. Onze groepsleider was hopman Smits uit de melkwinkel in de Everwijnstraat. De vaandrig was Hans van Heusden. Al snel werd onze groep samengevoegd met de reeds bestaande groep Beatrix. Deze groep had een troephuis aan het veer, tegenover de pont. Het was een driedubbele zolderverdieping in een pakhuis. Onze hopman werd het hoofd van de school waar we ons geïmproviseerd troephuis hadden gehad. Dat was Van Leeuwen. De twee vaandrigs waren Wim Gaasbeek en Wim Kramer Freher. Ik ben tot mijn 17e lid geweest van deze groep en kijk nog steeds met veel plezier terug op deze mooie tijd uit mijn leven.

Kees bij de padvinderij in Culemborg, rechts vooraan. DNG 40-45. Copyright I. MaanDat 12e levensjaar kwam ik ook voor de keuze te staan: Mulo of Ambachtsschool. Deze school zat in Utrecht, maar zou een jaar later ook in Culemborg komen. Mijn keuze was toen snel gemaakt, ik zou een 7e leerjaar gaan doen, want ik wilde niet naar de Mulo. Ik dacht dat ik dan op een kantoor terecht zou komen en dat wilde ik zeer beslist niet! Dat 7e leerjaar was een weggegooid jaar. Ik was de beste van de klas en leerde niets bij. Voordat ik naar de Ambachtsschool kon, hadden we eerst nog een grote vakantie. We gingen voor het eerst na zoveel jaar weer op familiebezoek in Doetinchem. Zo net na de oorlog was dat een hele beproeving. Er reden sinds 1946 voor het eerst weer treinen. Alles wat kon rijden werd ingezet. Wij reisden daarom staand in een goederenwagon (...!). De reis verliep spoedig.

In Doetinchem verbleven wij bij tante Anna en oom Gert. Mij is zeer goed bijgebleven hoe merkbaar de oorlogsschade was. De binnenstad was een puinhoop met ingestorte panden en uitgebrande kelders. De stad is na zware gevechten door de Canadezen bevrijd.

Kees en zus Riek bij familie in Doetinchem. DNG 40-45. Copyright I. Maan

De zondag aansluitend op de logeerpartij was het padvinderskamp; mijn allereerste kampeerervaring! Ons kampement was opgeslagen in Renkum aan de Renkumse beek. Ik werd door mijn ouders naar Ede gebracht waar de verzamelplek was. Na een flinke wandeling met bepakking bereikten we de afgesproken plek. We zouden de hele week stralend mooi weer hebben! De heuvelachtige omgeving aan de voet van de Veluwe was prachtig. Ik had nog nooit zoiets gezien, al die bossen en heidevelden!
De Renkumse beek diende voor ons als aanrecht voor de afwas en als doopvont voor de kampdoop, waar alle padvinders aan moesten geloven. Ook ik ontkwam niet aan de doop door de bosgeesten Habbekuk en Habbekrats. Middenin de nacht in het pikkedonker werd je uit de tent gehaald en op een door onszelf van palen gemaakte tafel gelegd en geblinddoekt. Je moest dan op de meest vreemde vragen antwoord geven en een tekst nazeggen, waarna je een plons ijskoud beekwater over je heen kreeg. Dit alles onder de meest lugubere geluiden van de bosgeesten.


In de omgeving van ons kamp

was tijdens de oorlog

een SS' er ontsnapt


We lagen allemaal net op bed toen we op een keer 's avonds om elf uur gewekt werden door knallen. Een vaandrig kwam ons alarmeren dat een van de wachten plotseling verdwenen was! De leiding dacht dat hij ontvoerd was, want in de omgeving van ons kamp was tijdens de oorlog een SS'er ontsnapt uit een interneringskamp! Wij moesten nu de verdwenen vaandrig gaan zoeken...
Met onze padvindersstokken gewapend gingen we in het stikdonker op pad. En ja hoor, na een half uur richting Ede te hebben gelopen, hoorden we plotseling gekreun aan de kant van de weg. Daar lag aan de bosrand onze ontvoerde wacht Aart Gutte. Hij zat helemaal onder het bloed, wat later natuurlijk tomatenpuree bleek te zijn. Hij kreunde verschrikkelijk tijdens het transport en bovendien verwachtten we nog zijn overvaller tegen te komen!
Toen er dan ook plotseling uit het donker twee fietsers opdoemden en ons tegemoet reden, kon de kampleiding nog net voorkomen dat de oudsten deze 'ontvoerders' neerknuppelden. Terug bij de ingang van ons kampement stond vaandrig Van Gaasbeek met witte doktersjas en stethoscoop ons op te wachten. Toen hij de gewonde wilde onderzoeken, sprong het slachtoffer met een harde gil van de draagbaar en bij ons was de spanning ineens gebroken. Wat waren wij goed tuk genomen!
Dit nachtspel heeft een grote indruk op ons gemaakt!


Als trofee namen we een

20 mm boordkanon mee naar huis!


Alles in de omgeving herinnerde nog aan de Slag om Arnhem. Op de heide en in het bos lagen nog delen van vliegtuigwrakke en defecte wapens. Grote delen van het gebied waren nog afgezet met prikkeldraad omdat er nog landmijnen lagen. Bij wandelingen passeerden we viaducten waar we tussen het betonijzer door moesten kruipen, want er was een bom door het wegdek gegaan. Als trofee namen we een 20 mm boordkanon mee naar huis. Dat heeft nog jaren in het troephuis in Culemborg gehangen. De loop was wel krom maar dat maakte voor ons niets uit. Het was een fijn, avontuurlijk en spannend weekje in Renkum en na afloop gingen we vanuit Renkum met de Rijnaak van Gradus van Kuilenburg naar Culemborg terug.

Als padvinder deden we vaak mee aan naoorlogse acties, zoals collectes aan de deur, verzamelen van glas en ander bouwmateriaal voor de wederopbouw. Dit was allemaal bestemd voor gebieden als Zeeland en andere hulpbehoevenden.
De nieuwe ambachtsschool kwam in Culemborg en ik behoorde bij de eerste leerlingen. Je moest een studierichting kiezen en ik koos zoals alle jongens, voor automonteur. Uiteindelijk deed ik met succes examen voor elektricien en instrumentenmaker.

Naschrift: Kees kwam via de instrumentenfabriek NIEAF en zijn dienstplichtige tijd bij de radioafdeling van de luchtmacht naar de Marine en werkte zijn hele leven bij het MEOB op de cryptoafdeling. Hij zag vele bunkers, onderzeeboten en fregatten van binnen en buiten en maakte de Koude Oorlog tijd mee. 's Nachst werd hij vaak opgepiept, vooral als er NAVO/NATO-oefeningen waren.
Hij had schilderen als hobby, exposeerde met regelmaat, ging graag naar de bergen, maar de huttentrektochten die hij altijd met zijn gezin maakte, zaten er al lang niet meer in. Hij was een kind van de natuur. Of dat nou de Betuwse velden of de bergen waren, hij mistte op zijn oude dag in het westen van het land de rust van vroeger.
Kees overleed plotseling op 83-jarige leeftijd op Koningsdag 2015.