Toen ik met mijn belevenistours vanuit Duits perspectief begon, kopten de kranten teksten als: - Oosterbeekse interviewt Waffen-SS’ers-. Bijna tien jaar later laat het programma ‘Andere Tijden’ één van de door mij geïnterviewde Waffen-SS’ers het Life-lied van de Waffen-SS zingen. Ik had hem dat nog nooit horen zingen. Ik had hem daar ook helemaal niet naar gevraagd. Op de achtergrond ziet de kijker hoe zijn vrouw achter haar rollator over de binnenplaats van hun boerderij ‘marcheert’; precies op de maat van het lied.
De trend is gezet, met de verwachte aandacht als resultaat. Dit is wat ze noemen Framing: Wát wil je dat het publiek leest en hoort en wát moet de kijker zien?

In mijn interviews met de media en tijdens mijn tours benadruk ik altijd weer dat we anno vandaag de dag wel wat genuanceerder mogen oordelen en dat we het zwart-wit beeld maar eens los moeten laten. Dan krijg ik soms het verwijt: ‘Ja hoor, trek het maar weer breed, vergoelijk het allemaal maar!’. Dat is allerminst wat ik wil.


In 2012 was er discussie over de 4 mei-herdenking op de Dam in Amsterdam. Daar mocht een jongen niet het gedicht over zijn ‘foute’ NSB-oom voorlezen. Het was de periode waarin verhitte discussie was over het feit dat ze in Vorden tijdens de herdenkingen ook langs de graven van een paar Duitse gesneuvelden wilden lopen.
In 2014 kopten de kranten dat de burgemeester van Renkum voortaan in de septembermaand gezamenlijk met de Duitsers wilde gaan herdenken. Dat was in 2012. Het was de aanloop naar het 70-jarig herdenken van de Operation Market Garden. Kennelijk waren we er met zijn allen ook zó lang na de oorlog nog niet aan toe.

Naar aanleiding van het krantenbericht werd ik door een oude verontwaardigde dame opgebeld: “Zèg, mevrouw, móet dat nou?” Het kwartje moest even bij me vallen voordat ik door had waarom ze belde: het krantenbericht over het gezamenlijk herdenken! Zij had de oorlogshandelingen bij de Arnhemse verkeersbrug, schuilend in de kelder van hun huis onderaan de brug, meegemaakt.

Daarna is zij 10 maanden geëvacueerd geweest. Die strijd bij de brug, die hele oorlog, stond nog op het netvlies van de 86-jarige. Voor haar zal een mof altijd een mof blijven, al hebben we een uur met elkaar door de telefoon gesproken en gaf ze toe dat ze het nog nooit zo vanaf ‘de andere kant’ bekeken had. Al het verdriet, alle ellende, wat ze zelf aan den lijven heeft ondervonden; het was háár persoonlijke leed en dat leed was te groot om zich überhaupt voor te kunnen stellen dat er aan Duitse zijde ook heel veel leed en ellende is geweest. Zij zal nooit in staat zijn om ‘die andere kant’, de kant van haar vijand, te vergeven.

In 2015 schreef, na het verschijnen van mijn boek Weggemoffeld! het Nederlands Dagblad:


In 2012 schreef Ad van Liempt het vrijheidsboek Verzetshelden en moffenvrienden. In Wageningen kreeg ik dit boek door hem uitgereikt. Ter gelegenheid daarvan werd ik geacht een korte reactie daarop te geven. Ik gaf toen aan dat je pas kunt vergeven als je begrijpt.

Een zoon die altijd van zijn ouders te horen krijgt hoe slecht die moffen waren, zal zijn hele leven waarschijnlijk een antipathie tegen een Duitser voelen; hij zal de mof in de Duitser blijven zien. Door de verhalen die in een gezin en in de schoolboeken verteld worden geef je door de generaties heen een bepaald beeld mee.

Omdat we na de oorlog opgegroeid zijn met de verhalen en boeken die uit het overwinnaars perspectief verteld en geschreven zijn, hebben we, en nu generaliseer ik, allemaal het beeld van de mof meegekregen. Wanneer we deze doorvertelde en geschreven verhalen klakkeloos voor ‘waar’ aannemen, dan is ‘begrip’ ver te zoeken. Zo lang wij niet begrijpen wat er aan ‘de andere kant’ gebeurde, dan zijn wij nog niet in staat om te begrijpen.

Conclusie: we zijn niet in staat om te vergeven.





Toch zijn er voorbeelden van mensen die ondanks hun eigen leed, wel in stat zijn om te vergeven. Denk bijvoorbeeld aan het napalm-meisje Kim Phuc. Zij ontmoette de dader en nadat zij zijn verhaal hoorde, was zij in staat hem te vergeven. Dat roept bij mij de vraag op, of vergeven misschien een kunst genoemd mag worden, een talent, waar iemand wel of niet over beschikt? Net zoals bijvoorbeeld iemand het talent heeft om te schilderen, of om goed te zijn in een sport of een muziekinstrument. Dat kan nou eenmaal ook niet iedereen.

Dát is denk ik de crux: vergeven is een kunst, omdat niet iedereen dat kan! Dáárom kunnen we ook niet van iedereen verlangen dat we gezamenlijk met de Duitsers gaan herdenken! Niet iedereen heeft het talent, om zich het aan die zijde gelede leed te willen en kunnen voorstellen. Niet iedereen is in staat om zich open te stellen voor de ervaringen van de Duitse soldaat. Bij ‘de kunst van het herdenken’ gaat het niet om een kunstje wat we ons maar hoeven aan te leren. Daar gaan generaties overheen.

Er zouden zich door de tijden heen 3 verschuivingen in de ‘herinneringscultuur’ hebben voorgedaan. Tot de jaren 1960 werd het herdenken vooral door een christelijk-humanistisch, maar bovenal nationaal perspectief beheerst. Daarna werd dit nationale beeld als het ware opengebroken en daarmee gepolitiseerd.

Vanaf de jaren 1980 kwam het zwaartepunt te liggen op de nazistische vernietigingspolitiek, wat we vooral kennen als de ‘Holocaust’. Denk maar aan de docufilm SHOAH , die uit die tijd stamt. Ik moest er van mijn ouders verplicht naar kijken, want daar zou ik van leren. Daarnaast richtte het herdenken zich op het lot van degenen die zich geslachtofferd voelden. Let wel: we hebben het hier over ‘onze kant’ van het herdenken.
In Duitsland was er een totaal andere tendens zichtbaar: de Duitse oorlogsgeneratie, in onze ogen de dader, voelde zich geslachtofferd en hun kinderen kwamen daartegen in opstand.


Het waren de ‘68er, de naoorlogse generatie die de ouders ter verantwoording riep en vond dat ze hun verantwoordelijkheid moesten dragen en niet steeds in die slachtofferrol moesten kruipen. Het was de generatie die zich van het ‘Obrigkeitsdenken’ (de Dienstleistung, Pflicht und Gehorsam, het Befehl ist Befehl) van hun ouders afkeerde en zich expliciet van het oorlogsverleden distantieerde; zij hadden niets met die rotoorlog van hun ouders te maken! Het was de tijd dat politicus Willy Brandt de knieval op het oorlogsmonument in Warschau maakte en voor heel Duitsland schuld bekende. Daar hebben we het hier nu niet over.


Wat wel vergelijkbaar is, dat is de manier waarop de herinneringscultuur tastbaar is geworden in de vorm van oorlogsmonumenten en begraafplaatsen. De keuze van materiaal en vormgeving zegt iets over de kunstenaar: hoe wil hij zijn verhaal vertellen? Degene die de voormalige slagvelden afreist, tegenwoordig valt dat onder de noemer ‘herinnerings-of slagveldtoerisme’, kent maar al te goed de verschillen tussen de geallieerde- en de Duitse begraafplaatsen; het is een schril contrast in vormgeving en sfeer: de Duitse begraafplaatsen in Duitsland zijn sober, soms zelfs slecht onderhouden en somber. Ze vertellen het verhaal van een donker verleden en een ondergang.


Een oorlogsmonument of een begraafplaats geeft tegelijkertijd de bezoeker de mogelijkheid om eigen gevoelens, gedachten en associaties erop los te laten. Op die manier overstijgt het de herdenking van een oorlogshandeling of van een enkele persoon: iedereen kan er zijn eigen, individuele betekenis aan geven. In die zin zouden kunst en herdenken dan samen kunnen komen. En toch….zo eenvoudig als het hier klinkt, is het in geen geval!
De kunst van een monument kan namelijk ook misbruikt worden en een gevaar vormen: denk maar aan die enorme ‘Bismarck-Denkmäler’ die erop gericht waren om het Duitse volk een eigen identiteit te geven aan de hand van (soms zelf bedachte) Germaanse oorlogshelden: met herwonnen trots marcheerden de Duitsers massaal de Grote Oorlog in die wij kennen als the Great War, oftewel: de Eerste Wereldoorlog, waarvan de Tweede een gevolg was!

Ik begin het langzaamaan te begrijpen: herdenken is ècht een kunst! De kunst om het 'goed' te doen. Maar dan rijst bij mij weer de vraag: wat is goed en hoe doe je dat? We zijn er dus nog niet. De kunst van een monument is denk ik goed, wanneer we door middel van dat monument kunnen zeggen:


Ik begrijp, dus ik vergeef.


Kijken we nu naar de herinnerings- en oorlogsmonumenten in de gemeenten Arnhem, Renkum en Wageningen: ze zijn stuk voor stuk vormgegeven vanuit het beeld van de overwinnaar, c.q. het slachtoffer van de Nazi’s. Kent u een monument of kunstwerk dat de Duitse kant van het verhaal verbeeldt of verwoordt? Ik niet. Dat bestaat niet. Hier niet.


Zo lang dat er niet is, kunnen we niet begrijpen, niet vergeven en al helemaal niet herdenken.


Hoe ver moeten we gaan met dat herdenken? En wie moeten we herdenken? Het Duitse volk? Hitler en alle Nazi-kopstukken? De gewone soldaat die voor zijn nummer moest opkomen? De meeloper? De Waffen-SS’er die elitesoldaat wilde worden of het avontuur zocht?


Of hoeven we alleen te kunnen zeggen:



Oké, het is nou eenmaal gebeurd en als we niet oppassen dan gebeurt het zo weer,
maar omdat we dit nu weten, zal het niet zo gauw meer voorkomen.


Als dát het moet zijn, dan kunnen we dat zien als een soort van 'verzoening met het verleden'. Maar daarmee zijn we nog lang niet bij 'vergeving'. Dat gaat veel verder. Dat is in de trant van: 'Ik neem het je niet kwalijk'. Nou, dat gaat wel héél ver, als je terug kijkt naar wat er allemaal voor kwaads is geschied.

Is vergeving eigenlijk wel noodzakelijk om gezamenlijk te kunnen herdenken? Gezien het feit dat niet iedereen het talent heeft om te kunnen vergeven, zouden we ons dan niet meer moeten gaan richten op verzoening? In dat geval zeg je namelijk:


Wij accepteren dat hetgeen er gebeurd is, onomkeerbaar is en we wensen nu weer in harmonie met elkaar verder te leven en proberen herhaling te voorkomen.


Of moeten we voor de Christelijk-Humane opvatting gaan? Hoe was dat ook alweer in de Bijbel: Geef ons heden ons dagelijks brood. Ja, daar begint het mee. Armoede is de voedingsbodem voor een hoop ellende, dat hebben we gezien. En vergeef ons onze schulden, zoals wij ook vergeven onze schuldenaren. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.


In de media, politiek en kunst moeten we ophouden met het zgn. 'framing': het neerzetten van een zwart-wit-beeld! Verschillende meningen ventileren in het gesprek met elkaar is de basis van een gezonde samenleving, maar meningen voeden vanuit een bepaald perspectief, waardoor het centrum verlaten dreigt te worden door een sprong naar links of rechts, daar voel ik niks voor. We hebben in het verleden immers gezien wat daaruit voortgekomen is.

Hans Windisch, de schrijver van Führer und Verführte maakte in 1946 de balans op: Voor Duitsland bleef er niets anders over dan zich bewust te worden van de schuld en deze collectief te aanvaarden. Men diende de ideologie Wir sind ein Herrenvolk van zich af te werpen. Op geen enkel andere manier kon je volgens Windisch een nieuw leven beginnen. Duitsland moest als dader zijn schuld aanvaarden en alles zo snel mogelijk weer vergeten. Er moest aangepakt worden: Duitsland moest weer opgebouwd worden. Er was geen plek en tijd om te treuren.

Door nu collectief het verleden weg te moffelen (dat kwam in de taboesfeer) werd er voorbij gegaan aan het feit dat de mensen een oorlogstrauma met zich meedragen. Een trauma kan echter alleen verwerkt worden, indien er over gesproken wordt. Maar men zweeg op alle fronten in de samenleving. Voor zelfmedelijden was geen plek. Je was immers dader of op zijn minst volger…een meeloper. Verwerking van een trauma begint pas, wanneer je medelijden kun hebben met jezelf en met je medemens.

Immers: daar waar medelijden is, daar is ook begrip!

Maar hoe kun je medelijden hebben met een dader, of meeloper? Bovendien: verlies je niet het dader-aspect uit het oog, op het moment dat je medelijden hebt? Zo zag ik tijdens de interviews een alleraardigste opa-figuur voor mij zitten, maar hij had vrijwillig voor de Waffen-SS gekozen, omdat hij geen zin in school had en het avontuur al rook! Hij is wel drie keer uit Russisch gevangenschap ontsnapt; bepaald geen kleine jongen dus! Zo geldt ook omgekeerd, wanneer je alleen maar het dader-aspect in the picture hebt; vergeet je dan niet dat het ook net zo goed slachtoffers geweest kunnen zijn? En met een slachtoffer mag je toch medelijden hebben?

Op een militaire begraafplaats kan de gesneuvelde soldaat die daar ligt zowel dader als slachtoffer zijn. Waarom voelde het dan toch zo gek aan, toen ik voor een jonge, in Oosterbeek gesneuvelde Oostenrijkse SS-er een waxinelichtje bij het graf plaatste? Ik kende zijn verhaal door zijn soldatenzakboekje waarin ook een brief van zijn moeder zat. Ik begreep zijn motivatie om soldaat te willen worden. Ik begreep het leed van zijn moeder.
Het is over het algemeen heel lastig om je met een dergelijk paradox bezig te houden en daarom leek het zwijgen wel zo gemakkelijk.
En zo ontstond er dus ook door de generaties heen geen begrip.


Begrip ontstaat pas wanneer je teruggaat naar de bron van het geweld. We kunnen ons dan de vraag stellen hoe het mogelijk is geweest dat een compleet volk zo op drift is geraakt. Waardoor komt het dat een volk massaal voor haar verantwoordelijkheid wegvlucht op een moment van crisis in het leven? Je kunt pas medelijden hebben, wanneer je hun situatie begrijpt, wanneer je kunt zeggen Ik weet niet hoe ik zelf in die situatie gehandeld zou hebben. Je brengt het dan dichter naar jezelf toe. Dat is een reactie op menselijk niveau: je begrijpt dat het vooral ook MENSEN zijn die daar gehandeld hebben, mensen die in bepaalde situaties niet meer zelf konden denken, oordelen en beslissen en daardoor mee moesten of wilden marcheren.

Een oude mevrouw uit Renkum zei eens tegen mij:



In 1944 moest ik vluchten uit Renkum. Ik kwam toen een oudere Duitse soldaat huilend tegen.
Ik vind dat je daar medelijden mee kunt hebben.

Allemaal menselijke reacties waarbij het begrip voor de andere mens aanwezig is. Maar het is ook een MENS die soms tot gruwelijke misdaden in staat blijkt te zijn. Om politieke redenen worden mensen weggejaagd, van hun bezittingen beroofd en vermoord. Hoe ver gaat dan ons begrip?

Duitsland kende na de oorlog een ‘Stunde-Null’ waarin het op literair, kunstzinnig en politiek vlak ging nadenken over hoe het nu verder moest. De mensen waren door de geallieerden heropgevoed en voortaan zouden er geen nazi’s meer in de maatschappij zijn. Het leek allemaal in kannen en kruiken, de Marshall-hulp moest voorkomen dat Duitsland wederom in een isolement terecht zou komen zoals na de Eerste Wereldoorlog. Vanaf nu zou Duitsland een beter leven tegemoet gaan. Een utopie, want hoe zag dat leven er in veel Duitse gezinnen uit?

Families waren compleet uit elkaar gerukt, mannen gesneuveld of vermist op het slagveld achtergebleven, veel van die gehalveerde gezinnen waren ook nog uit hun Heimat verdreven en moesten als derderangs burger aan een nieuwe woonomgeving wennen waar ze vanwege honger en gebrek aan van alles allerminst welkom waren. Het leven was een chaos. Was het nazisme wel verdwenen? Zat het niet meer in het gedachtegoed van de mensen?


Johannes, een personage uit Schuldig geboren, kinderen van Nazi’s van Peter Sichrovsky zegt:



Het gaat er tegenwoordig niet meer om of een verleden overwonnen is, of voortleeft in iemand zoals ik.
Tegenwoordig gaat het erom of jij, ik en wij allen bereid zijn de haat in ons door liefde, begrip en solidariteit te vervangen.
Het gemeenschappelijke, het elkaar tegemoet treden, het elkaar kunnen begrijpen, is de enige hoop die we hebben.

De Duitse Wehrmacht-veteraan Hans Kürten heeft een boodschap voor de jeugd die de oorlog niet heeft meegemaakt:



Laat je niet gek maken door de politici.
Het maakt niet uit of ze van links of rechts komen; de extremisten. Maar blijf zelf denken!


Pas als een volk ophoudt met zelf denken, wordt het gevaarlijk! We hebben gezien waar dat toe geleid heeft: een volk heft massaal de arm voor één leider. Vandaag de dag nog altijd een groot gevaar.

Tot slot wil ik nog een citaat aanhalen van Albert Speer, die onder Hitler de minister van Bewapening en Oorlogsproductie was.
Hij verklaarde voor het tribunaal:


Nazi-Duitsland was een staat die de bedoeling had, het individuele geweten uit te schakelen.